A Lone Wolf / Alex de Vries / 2009

Hanneke Klinkum bijt haar been af
Alex de Vries

Wat dragen we met ons mee en wat werpen we van ons af? Het is een vraag die Hanneke Klinkum in haar beelden en tekeningen zinnebeeldig aan de orde stelt. Als kunstenaar kun je haar zien als een dier in een klem dat zijn eigen poot afknaagt om de vrijheid te herwinnen. In de beeldende kunst is het ondoenlijk om je aan regels te houden, omdat die per kunstwerk dat wordt gemaakt en beschouwd, aan verandering onderhevig zijn. Met ieder beeld is er een gewijzigde omgang met de aanschouwelijke gegevens. We zien altijd iets anders.

Binnen het oeuvre van een kunstenaar kunnen beelden nog zo op elkaar lijken, ze kunnen in feite nooit volgens de zelfde criteria worden bekeken. In de onderling sterk verwante beelden van Hanneke Klinkum, waarin zij het dierlijke met het menselijke verbindt en het organische met het kunstmatige, het lichamelijke met het geestelijke, is dat een fait accompli. Je kunt ieder beeld als dat van haar herkennen, maar ze ontsnappen aan iedere eerdere betekenis die je aan een afzonderlijk werk hebt toegekend. Zoals een hert ieder jaar een nieuw gewei krijgt, dat anders is dan het vorige - groter, uitdagender en kwetsbaarder - zo groeit het werk van Hanneke Klinkum. Ze kan niet wat ze eerder heeft afgeworpen opnieuw bedenken en tot stand laten komen. Er komt iets anders tot stand.

Ze is geen hertje, Hanneke Klinkum, maar een wolvin. A lone wolf. Afgezonderd van het pak. De Nederlandse beeldhouwkunst is een kleine wereld, omdat Nederland niet echt een land van beeldhouwers is, hooguit van kleiers en bouwers. Iedere beeldhouwer in Nederland is een uitzondering en uitzonderlijk. Dat geldt voor Hanneke Klinkum in het bijzonder. Ze is een bottenschraper, een geweienvinder, een schillenraper en staartenbinder. Organisch materiaal dat meer of minder moeizaam vergaat, gebruikt ze om beelden als schijnfossielen te maken. We herkennen haar werk van verre, maar als we dichterbij komen zien we dat we ons deerlijk hebben vergist. We zien eerst een trap, een haren jas, een kapstok en een kandelaar. We gaan die trap op, hangen de jas aan de kapstok en ontsteken de kandelaar. In dat licht zien we hertenpootjes, een paardenstaart, een verhoornde stok en in elkaar verstrikte geweien. We zien hoe het de beesten vergaat, hoe we vergaan. Verworpenen der aarde die we zijn. We zijn er voor de vinder, hoe eerlijk of oneerlijk ook, die ons nooit terugbrengt tot wie we waren, maar die voortbrengt wie we uiteindelijk zijn.

In haar werken op papier is Hanneke Klinkum niet sculpturaal, maar oplosbaar. Het beeldhouwwerk is altijd een concrete gestalte, maar een tekening is eerder de gedaante van het ongeziene, het onvoorziene. Het is niet het werkelijke, maar biedt een oplossing voor wat het zou kunnen zijn wat we zien. In die oplossing komen waarnemingen samen. Ze tekent onder andere bomen en die zijn er als zodanig te over, alleen niet zoals ze die tekent, zo zijn er niet. Ze tekent ze als beeld en ze worden zo weer een mogelijke sculptuur. Ze kunnen alleen onmogelijk worden uitgevoerd. Ze zijn getekend. Ze moeten met fluwelen handschoenen worden aangepakt.

Hanneke Klinkum bites off her leg
Alex de Vries

What do we take with us, and what do we cast off? Hanneke Klinkum symbolically poses this question in her sculptures and drawings. As an artist she can be regarded as an animal which, caught in a trap, chews off its own leg in order to regain freedom. Adhering to the rules is impossible in visual art, because these are subject to change with every work that is made and observed. Each image involves a different way of dealing with the observational factors. We're always seeing something else.

Within an artist's body of work, images might resemble each other considerably; yet they can never be viewed according to the same criteria. With Hanneke Klinkum's highly interrelated images-in which she links the animal and the human, the physical and the mental-that is a given fact. Every image can be recognized as her own, but it eludes any previous meaning ever ascribed to an individual work of hers. Just as a deer grows new and different -larger, more defiant and more vulnerable- antlers every year, Hanneke Klinkum's work continually takes new shape. That which she has cast off cannot be reworked and made again. Something else has to be produced.

Hanneke Klinkum is no deer but a she-wolf. A lone wolf, far from the pack. The world of Dutch sculpture is a small one, since this is not really a country of sculptors-ceramists and builders at most. Every sculptor in the Netherlands constitutes an exception and is thereby unique. That can be said about Hanneke Klinkum in particular. She scrapes bones, finds antlers, gathers bark and binds up tails. Organic material that decays at varying rates is used by her to create sculptures resembling pseudo fossils. We recognize her work from a distance, but if we come closer we see that we've been profoundly mistaken. At first we see a stairway, a coat of hair, a coat rack and a candleholder. We climb the stairs, hang up the coat and light the candles. In that light we see deer hooves, a horse's tail, an antler beam and tangled horns. We see how the creatures decay, how we decay. How we are the earth's outcasts. Be it fair or unfair, we are there for those who find us. They will never restore us to who we were, but generate who we ultimately are.

In her work on paper Hanneke Klinkum is not sculptural but tenuous. The sculptural work always has a concrete shape, but a drawing sooner takes the shape of the unseen, the unforeseen. It does not portray the real but offers, instead, a solution to what we might be seeing. In that solution, observations converge. Among other things, she draws trees. Basically these are in abundance, but not in the way that she draws them. She draws them as single images, and as such they become potential sculpture. The only problem is: such sculpture would be impossible to carry out. They are drawn. They must be handled with kid gloves.