Ask not where this wild game is procured … / Jos Wilbrink / 2009

Jos Wilbrink

Meestal is er een bijzondere aanleiding als je een boek uitgeeft van je eigen werk als kunstenaar. Je bereikt een bepaalde leeftijd die als mijlpaal wordt ervaren, je rondt een periode in je artistieke ontwikkeling af of, in het ergste geval, je zet een punt achter je carrière.

Voor Hanneke Klinkum gelden andere motieven. Het 'mijlpaal'-motief is niet van toepassing en ze is geenszins van plan haar carrière te beëindigen. Wat ze wel wil, is meer aandacht voor haar werk. Om duidelijk te maken waar we haar kunnen vinden in het kolkende geheel van die onvoorspelbare wereld van de beeldende kunsten. Dit boek wil inzicht geven in de complexe constructie van ideeën, gevoelens en ervaringen waaruit haar werk voortkomt. Waarin het zijn betekenis vindt en waaraan het zijn bestaansrecht ontleent. Haar eigen bijdragen zijn de beelden, tekeningen en foto's. Voor de woorden heeft zij Aloys van den Berk, Ulco Mes en Alex de Vries gevraagd. Het moment waarop deze publicatie verschijnt is net zo intuïtief gekozen als de wijze waarop grote delen van haar oeuvre zijn ontstaan.

Hanneke Klinkum werkt al vanaf midden jaren zeventig als kunstenaar voornamelijk als beeldhouwer. Vele jaren lang combineerde zij haar kunstenaarschap met een docentschap aan de kunstacademies van Kampen en Tilburg. Die behoefte aan contact met studenten en collega's is typerend voor haar. Hanneke zoekt en legt verbindingen, brengt een constante wisselwerking tot stand tussen verschillende ideeënwerelden en de mensen die daarachter zitten.
Het schakelen vanuit haar zelf met de verschillende stations in de wereld om haar heen en het leggen van natuurlijke verbintenissen, zijn kenmerkend voor haar houding als mens én als kunstenaar. Die houding volgt geen theoretisch model maar komt voort uit een diep gevoelde intuïtie. Zoals een vriendenkring ontstaat, vanuit een gevoelsmatig gemaakte reeks van keuzes, is ook haar oeuvre ontstaan. Met een trouwe vaste kern die met zorg gekoesterd wordt en met lagen daaromheen waarin het kan 'komen' en 'gaan'.

Haar werk komt tot stand, binnen de kaders van een eeuwenoude ontwikkeling, in wisselwerking met wat de natuur en de kunst elkaar te bieden hebben. Hanneke laat zich inspireren door mensen, dieren en bomen of liever gezegd door onderdelen daarvan. Armen, benen, fazantenpoten, eikenbladeren, hazenoren en hertengeweien vormen de ingrediënten voor haar tekeningen en beelden. Die belangstelling komt voort uit ontzag voor de heftigheid waarmee de natuur zich kan manifesteren en uit verwondering over wat die natuur aan andere dramatische expressievormen in zich heeft. Zo zijn de ledematen niet enkel dode voorwerpen of macabere zetstukken die vergankelijkheidsprocessen representeren maar ook levende instrumenten die altijd volop in actie worden getoond. De armen en benen, poten en staarten, zijn in beweging, lijken een gebaar te maken of nodigen uit om aangeraakt te worden. De beelden zijn heel expressief of juist ingetogen maar manifesteren zich hoe dan ook als geheimzinnige wezens die beschikken over een eigen identiteit. Ze confronteren, of je wilt of niet. 

Bijzonder is haar fascinatie voor rendieren en herten die elk jaar opnieuw door de natuur gedwongen worden hun gewei af te werpen. Een dramatisch moment waar wij achteloos aan voorbijgaan maar dat voor het dier zeer ingrijpend is. Zonder gewei verliezen ze tijdelijk een bepalend deel van hun identiteit. Door de geweien te verzamelen en in haar beelden te verwerken houdt zij een schaduw van die identiteit in stand. Zij plaatst het dier daarmee op een voetstuk, geeft het even de heroïsche status die het eigenlijk verdient.
Door een nummer op de geweien aan te brengen wordt een registratiesysteem gesuggereerd waarmee het belang van de vondst en het bijbehorende artistieke ritueel extra wordt benadrukt. Het nummer blijkt bij nadere bestudering een bewerking van haar eigen geboortedatum te zijn waarmee zij op symbolische wijze een verbinding legt tussen een moment uit het leven van het dier en dat van haar zelf.

Hanneke gaat associatief te werk. Elk beeld roept een volgend beeld op waar ze zonder enige schroom aan toegeeft. Hoofden krijgen oren als handvatten. Pootjes worden in een reeks geplaatst en vormen tezamen een trapachtig object dat ook nog een gebruiksfunctie lijkt te hebben maar dat niet heeft. Dat wringt. Een hertengewei wordt van een dun laagje gekleurd textiel voorzien en wordt opgenomen in een groter geheel van een wandinstallatie die uit talloze vergelijkbare geweien bestaat. Dat verzacht de pijn. Steeds zoekt zij naar bijzondere verbintenissen, naar verwantschap in vorm, in mentaliteit, in zeggingskracht. Vaak in tegengestelde bewegingen van krachten die elkaar aantrekken en afstoten.
Het zijn niet de afzonderlijke objecten waar het haar om gaat maar het grote geheel waar ook zijzelf, als mens, deel van uitmaakt. Dat zij zichzelf fotografeert met een gewei in haar armen is een even vanzelfsprekend als markant punt in de ontwikkeling van haar werk.

Het ontstaansproces van haar oeuvre kent, in tijd uitgedrukt, geen lineaire ontwikkeling maar voltrekt zich schoksgewijs. Soms grijpt ze na jaren terug op een eerder moment in het proces, soms ook werkt ze lang aan één en hetzelfde thema. Terugblikkend worden verzamelingen zichtbaar van samenhangende beelden of beeldelementen. Eilandjes van geconcentreerde emoties en gebundelde ervaringen die in zichzelf een eenheid vormen maar ook herkenbaar deel uitmaken van een groter geheel.
Zoals een sterrenbeeld aan een heldere hemel dat als autonoom beeld herkenbaar is en tegelijkertijd onbetwist deel uitmaakt van een complexer geheel binnen het universum.

Het is niet verwonderlijk dat Hanneke haar werk niet enkel voor zichzelf maakt. Het is pas af als iemand het gezien heeft. Het moment waarop het beeld haar atelier verlaat, luidt het laatste stadium in van het werkproces: een leven als 'kunstwerk' dat gezien wordt, aangeraakt wordt, tot verbazing leidt of tot afschuw. Pas als het bij de beschouwer vragen of emoties oproept kan het als kunstwerk overleven.
Dat zij de kijker een belangrijke rol toebedeelt, betekent niet dat ze zich laat leiden door wat die kijker wenst of van haar verwacht. Zij is ongevoelig voor trends of tijdelijke hypes die zo kenmerkend zijn voor de hedendaagse kunstwereld. Integendeel die wereld werkt eerder benauwend dan bevrijdend. Reden voor haar zich terug te trekken in de beslotenheid van haar atelier en zich over te geven aan wat er zich van binnenuit aandient.

Dit boek nu, geeft een beeld van wat die onafhankelijke houding na vele jaren van werken en reflecteren heeft opgeleverd. Het is een tentoonstelling in plaatjes die meer kan laten zien dan menige expositie. Het legt de ontwikkelingen bloot en bakent de verschillende elkaar opvolgende perioden af. Het laat de onderlinge verbanden zien en wie er gevoelig voor is herkent meteen het grote geheel waaraan de episodes refereren.
Ook rekent het af met oppervlakkige opmerkingen over de veelvormigheid die haar werk zou kenmerken en met de mythe dat 'beroemd zijn' het synoniem is voor 'goede kunst maken'.
Dit boek wil geen verantwoording zijn van een artistiek oeuvre maar veel meer een verheldering geven van zijn oorsprong en intrinsieke samenhang die nodig is het totaal tot in de finesses te begrijpen.
Dit boek toont aan dát je en hóe je kunt overleven binnen jezelf door te verbeelden van wat kan 'komen' en 'gaan'.

Jos Wilbrink

Usually, when an artist publishes a book on his or her work, there is a special reason for it. A milestone may have been reached in terms of age, or a period of artistic development may have come to an end, or worst of all, a career might have been brought to an end.

Hanneke Klinkum has had other motives. The milestone motive doesn't apply and she has no plans whatsoever to end her career. What she does want, though, is to draw more attention to her work, so that we know exactly where to find her in that whirling and unpredictable world of the visual arts. This book aims to provide insight on the complex construction of ideas, emotions and experiences that has given rise to her work-the construction in which that work finds its meaning and by which it is justified. Her own contributions are the sculptures, drawings and photographs. She has asked Aloys van den Berk, Ulco Mes and Alex de Vries to furnish the words. The timing of this publication has been chosen intuitively, just as major parts of her body of work have come about intuitively.

Hanneke Klinkum has been working as an artist, mainly as a sculptor, since the mid seventies. For many years she combined her life as an artist with teaching positions at the art academies of Kampen and Tilburg. That desire for contact with students and colleagues is characteristic of her. Hanneke seeks and makes connections, prompts constant correlations between various worlds of thought and the people behind them.
This shifting among the various facets of the world around her and the establishment of natural bonds are typical of her attitude as a person and as an artist. That attitude does not correspond to any theoretical model; it stems from a deeply felt intuition. And so her body of work has taken shape just as a circle of friends takes shape, on the basis of instinctively made decisions. A steadfast core, fostered with care, is surrounded by layers of things that can come and go.

Klinkum's work comes about within the context of an age-old development, as an interplay of what nature and art have to offer each other. Hanneke allows herself to be inspired by people, animals and trees, or rather by parts of these. Arms, legs, pheasant feet, oak leaves, hare ears and deer antlers make up the ingredients for her drawings and sculptures. Her concern for these comes from a respect for the violence with which nature can manifest itself and from an amazement at nature's potential to convey other dramatic forms of expression. The limbs, for instance, are not simply dead objects or macabre set pieces representing mortal processes, but also living instruments that are always packed with action. The arms and legs, the tails are in motion, as though making a gesture or inviting us to touch them. The sculptures can be very expressive, or very subdued, but in either case they come across as mysterious creatures who have their own identities. They confront us, whether we want them to or not.

Particularly striking is her fascination with reindeer and deer, forced by nature to cast off their antlers every year. While we may take this drama for granted, it has drastic consequences for the animal. During this period without antlers, the animal has lost a certain part of its identity. By collecting the antlers and incorporating them into her sculptures, Klinkum maintains a shadow of that identity. She thereby places the animal on a pedestal, gives it some of the heroic status that it actually deserves.
By putting numbers on the antlers, she suggests a system of registration by which the importance of the discovery and the corresponding artistic ritual are given extra emphasis. The number proves, on further examination, to be an arrangement of her own birth date-a way of linking a moment in the animal's life with one in her own.

Hanneke takes an associative approach. Each image evokes yet another image to which she shamelessly submits. Heads are given ears resembling handles. Legs are placed in a row and collectively form a ladder-like object that does seem to have a utilitarian function, but doesn't. That's where the friction lies. Deer antlers are given a thin textile coating in color and become part of the larger entity of a wall installation, consisting of countless antlers of this kind. That eases the pain. She keeps on looking for unusual connections, for an affinity of form, of mentality, of expression. This is often found in opposite movements of forces drawn to and repelled by each other.
Her concern is not the individual objects, but the larger whole of which she herself, as a person, is a part. The fact that she photographs herself with a set of antlers in her arms is both a matter-of-fact and prominent moment in the development of her work.

The developmental process of her body of work has, in terms of time, not taken an even linear course but has taken place in fits and starts. Sometimes, after years, she'll go back to a previous point in the process; and sometimes she works on one theme for a long time. In retrospect, accumulations of related images or visual elements become evident. Islands of concentrated emotion and combined experiences form, in themselves, an entity but are also recognizably part of a larger whole-just as a constellation, on a clear night, can be recognized as an autonomous image, while it is unquestionably part of a more complex whole within the universe as well.

It should come as no surprise that Hanneke wants her work to be for more than just herself. The work isn't finished until someone has seen it. When the sculpture leaves the studio, the final stage of the work process begins: a life of being seen and touched as an 'artwork', leading to amazement or to horror. Not until it prompts questions or emotions in the viewer can it survive as an artwork.
The fact that she grants the viewer an important role does not mean that she lets herself be guided by the viewer's wishes or expectations. She is indifferent to passing trends or hypes that are so typical of the contemporary art world. On the contrary, that world tends to have an oppressive rather than a liberating effect on her. So this gives her all the more reason to withdraw to the seclusion of her studio and surrender to what presents itself from the inner self.

Now, after so many years of work and reflection, this book shows the outcome of that independent attitude. It is a presentation in pictures that can reveal more than many exhibitions do. It exposes the developments and defines successive periods. It allows us to see the interrelationships, and those who are attuned to the work will immediately discern the greater whole to which the episodes refer.
Here, too, superficial remarks about the multiformity that supposedly characterizes her work and the myth that 'being famous' is synonymous with 'making good art' are dealt with once and for all.
This book does not aim to justify an artistic body of work, but to provide a clarification of its origins and intrinsic coherence, needed for a more nuanced understanding of the whole.
It moreover demonstrates that you can, and how you can, survive within yourself through a portrayal of all that 'comes' and 'goes'.